Wethoudersenquête: woningbouw is de belangrijkste lokale opgave

nieuwsbericht | 5 juni 2014

140605 foto wethenqDe landelijke enquête waarin wethouders ruimtelijke ontwikkeling terugblikken op de bestuursperiode 2010-2014 wijst uit dat meer dan de helft van de gemeenten heeft moeten afboeken. Het zoeken naar nieuwe financiering zorgde in 32% van de gemeenten voor vertragingen. Toch gaat de politieke discussie binnen de Colleges van B&W het vaakst over gebiedsontwikkeling, buitengebied en grondbeleid. De wethouders noemen woningbouw het vaakst als belangrijkste ruimtelijke opgave voor de komende raadsperiode. Er is niet één wethouder die aangeeft dat er een directe relatie bestaat tussen ruimtelijk beleid en cultuur.
De resultaten van de enquête worden betrokken bij de landelijke manifestatie Hitte in de Delta, die Architectuur Lokaal op 28 november 2014 organiseert voor nieuwe gemeentebestuurders.

Uit onderzoek van Architectuur Lokaal, uitgevoerd in samenwerking met VNG en TNS NIPO, komt naar voren dat de uitvoering van het lokale ruimtelijk beleid door de economische crisis sterk is belemmerd. In vrijwel alle gemeenten zijn bouwprojecten in de afgelopen raadsperiode vertraagd (82%); in 42% van de gemeenten zijn projecten stopgezet.
De enquête werd gehouden onder de wethouders ruimtelijke ontwikkeling 2010-2014. Aan hen werd gevraagd om terug te blikken op de afgelopen bestuursperiode. De wethouders noemen woningbouw het vaakst als belangrijkste ruimtelijke opgave voor de komende raadsperiode (33%). CDA- en VVD-wethouders vinden het eigen beleid bovengemiddeld beter (resp. 60% en 57%) dan in andere gemeenten; bij de PvdA-wethouders is dat 39%; de lokale partijen zijn er het minst van overtuigd dat het eigen beleid het beste is (24%).

In beleidsvorming en -uitvoering zetten gemeenten sterk in zetten op klimaatbestendig bouwen. De uitwerking richt zich in het bijzonder op ‘bouw en stedelijke ontwikkeling ‘ (in 56% van de gemeenten); daarna volgen ‘openbare ruimte en groen’ (44%), ‘infrastructuur’ (28%) en ‘stedelijk water’ (25%). Klimaatbestendig bouwen slaat aan op lokaal niveau, al gebeurt dat betrekkelijk onafhankelijk van landelijke beleidsinitiatieven. Zo blijken twee op de drie wethouders niet bekend te zijn met het nationale Deltaprogramma Klimaatbestendige Stad.

Media berichten vaak over bestuurders die de rit niet uitzitten en de huiver die daardoor ontstaat om een positie in het openbaar bestuur te ambiëren. Dit afbreukrisico blijkt al met al mee te vallen: 86% van de wethouders heeft de volle raadsperiode vanaf 2010 in het gemeentebestuur gezeten en 37% van de wethouders zelfs acht jaar of langer.
Wethouders associëren ruimtelijk kwaliteit in hoofdzaak met ‘leefbaarheid’ met ‘planologische kwaliteit’ en met ‘openbare ruimte’. De weg om die kwaliteit te bereiken wordt gevonden met behulp van beeldkwaliteitplannen (85 % van de gemeenten), bewonersparticipatie (56%) en informatiebijeenkomsten (23 %). Over de effectiviteit van de toegepaste instrumenten bestaat wel twijfel bij een deel van de wethouders. Opvallend is dat 30% van de wethouders die veelvuldig het beeldkwaliteitplan als instrument gebruiken, niet positief oordelen over de doeltreffendheid. De wethouders die meer inhoudelijk gerichte kwaliteitsinstrumenten toepassen vinden de instrumenten ook vaker effectief: supervisor of Q-team (100% effectief), stadsarchitect (100% effectief), prijsvragen (100% effectief) en ontwerpateliers (82% effectief).

Decentralisatie heeft voor het ruimtelijk beleid vooral gevolgen op inhoudelijk vlak, meent 28% van de wethouders. Een kwart ziet voornamelijk gevolgen op het procedurele vlak. Eén op de vijf wethouders meent dat de huidige decentralisatie geen gevolgen heeft voor het ruimtelijk beleid in de gemeente. Een grotere belemmering vinden ze wet- en regelgeving (66%), gevolgd door bezwaarprocedures (64%) en de afstemming met de provincie - die vormt voor 46% van de wethouders een obstakel.

Dat de band tussen cultuur, architectuur en ruimtelijke ordening steeds zwakker wordt onder druk van economische en juridische doelen wordt ook duidelijk. Er is niet één wethouder die aangeeft dat een directe relatie bestaat tussen de portefeuilles tussen ruimtelijk beleid en kunst en cultuur. Slechts vier van de 100 wethouders weten wat ontwerpend onderzoek is.

Lees hier het volledige rapport.

De enquête is mede mogelijk gemaakt met een bijdrage van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie.

SFCI logo