Gemeente Haarlem

2019 - 2022 | Willem Hein Schenk | stadsadviseur
Het College van B&W van de gemeente Haarlem heeft Willem Hein Schenk op 1 mei 2019 benoemd tot stadsadviseur van Haarlem voor een periode van drie jaar. Het college heeft gekozen voor invulling van de functie in de vorm van een ‘stadsadviseur’. Met een brede, onafhankelijke en frisse blik stelt de  stadsadviseur vraagstukken waar Haarlem voor staat centraal en overstijgt daarmee de losse bouw- en ontwikkelingsprojecten. De vraagstukken betreffen ruimtelijk-strategische opgaven op het snijvlak van stedelijke ontwikkeling, duurzaamheid, mobiliteit en sociale inclusiviteit.

 

 

2008 - 2019 | Max van Aerschot | stadsbouwmeester
Max van Aerschot werd, anders dan zijn voorgangers, niet benoemd tot stadsarchitect maar tot stadsbouwmeester. In die functie adviseerde hij het College van B&W en de Commissie Welstand en Monumenten bij vraagstukken rond stedelijke ontwikkeling, over ruimtelijke kwaliteit, over toetsing van ruimtelijke kwaliteit (welstand). Ook was hij  inhoudelijk adviseur van de ambtelijke organisatie (staffunctie afdeling ruimtelijk beleid). Hij initieerde een nota Ruimtelijke Kwaliteit waarin onder andere ambities met betrekking tot ruimtelijke ontwikkeling en architectuurbeleid zijn vastgelegd en waarmee wordt tevens voldaan aan de verplichting van de welstandsnota.

Joop Slangen stadsarchitect Haarlem1996 - 2007 | Joop Slangen | stadsarchitect
Joop Slangen was in deeltijd werkzaam als stadsarchitect van de gemeente Haarlem. Als adviseur van het College van B&W en van de ambtelijke organisatie was hij betrokken bij alle belangrijke ruimtelijke ontwikkelingen van de stad.
In 2017 werd Joop Slagen polderbouwmeester van de gemeente Haarlemmermeer.

 

 

 

 

Thijs Asselbergs stadsarchitect Haarlem1990 - 1994 | Thijs Asselbergs | stadsarchitect
Thijs Asselbergs was van 1990 - 1994 stadsarchitect van Haarlem. "Een stadsarchitect moet volgens hem een adviserende, een initiërende, een kwaliteitsbevorderende, een begeleidende en een verbindende rol spelen. Vijf rollen in een bovenal onafhankelijke regie, direct gekoppeld aan het College van B&W. Onafhankelijkheid is van belang voor directe advisering aan wethouders en biedt de gelegenheid om in beleidsmatige discussies een bijdrage te leveren." (uit: De stadsarchitect Architectuur Lokaal #5, 1994). "Doorgaans is een functie-omschrijving relevant bij aanvang van de taken, maar gedurende de periode dat Asselbergs stadsarchitect van Haarlem was, heeft zich een omslag in de functie voltrokken. Zijn voorganger was vooral betrokken bij ontwerpen voor de gemeente en hij had beperkte beleidsmatige bevoegdheden; Asselbergs' opvolger zal nauwelijks meer als ontwerper voor de gemeente werkzaam zijn en zal zich vooral op de beleidsontwikkeling en op de toetsing van het beleid moeten concentreren.' (uit: Thijs Asselbergs, Stadsarchitect van Haarlem, Cilly Jansen, 1994; p.9).
Een beknopt historisch overzicht van de Haarlemse stadsarchitecten is in opdracht van Asselbergs eind 1993 opgetekend in het boekje Timmermeester, opzichter of architect?

Wiek Röling voormalig stadsarchitect Haarlem. Foto Haarlems Dagblad1970 - 1988 | Wiek Röling | stadsarchitect
Wiek Röling was van 1970 tot 1988 stadsarchitect van Haarlem. "In de periode dat Röling stadsarchitect was werd de functie in de ambtelijke  structuur van de gemeentelijke Dienst Openbare Werken verplaatst naar de  Algemene Dienst. Daardoor kon de stadsarchitect voortaan als bemiddelaar bij alle ambtelijke diensten die met het bouwproces te maken hebben, betrokken zijn. Deze wijziging was vooral ingrijpend omdat de stadsarchitect sindsdien, gevraagd en ongevraagd, álle wethouders in het gemeentebestuur kon adviseren: er bestond nu een directe lijn naar het College van B&W. Bij de functie-uitoefening is juist het ongevraagd adviseren van groot belang geweest. Essentiële zaken konden zo in de marge geregeld worden. Röling achtte het van belang dat de stadsarchitect een deel  van zijn tijd ook zelf als ontwerper werkzaam zou zijn, en het toenmalige gemeentebestuur deelde die mening. Het eigen architectschap werd niet alleen nodig geacht om aan te tonen dat de stadsarchitect een positie innam in de actuele ontwikkelingen in de bouwkunst, maar vooral ook omdat sommige problemen alleen vanuit de visie van een ontwerper kunnen worden benaderd. Aan het eind van de jaren tachtig werd daarom in Haarlem vastgelegd dat de stadsarchitect de helft van de tijd zou besteden aan eigen ontwerpwerk ten behoeve van gemeentelijke bouwopgaven." (uit: Thijs Asselbergs, Stadsarchitect van Haarlem, 1994; p.11)